ARTIKEL UIT Reformatie








nummer


36

jaargang


84

datum


13-JUN-2009


Artikelkop ‘Disciplina Arcani’, of geheimtucht - W.A. Sonneveld

In de jonge kerk werd met ‘Disciplina Arcani’, of geheimtucht, bedoeld, dat verschil werd gemaakt tussen de verkondiging die voor iedereen toegankelijk was en het belijden dat alleen toegankelijk was voor de gemeente. Het ging dan om de onthulling van het geheim voor de gelovigen. Dat geheim bestond niet alleen uit de doop en het avondmaal, ook uit symbolen: het uitspreken van de geloofsbelijdenis.



Dat werden ‘de verborgenheden van het geloof’ (‘arcana fidei’) genoemd. Die moesten bewaard blijven tegenover de wereld. Daarover sprak men niet met buitenstaanders die het mysterie van het geloof nog niet ervaren hadden (= nog niet ingewijd zijn, nog niet gedoopt zijn, nog niet bij Christus horen).
In latere tijd heeft men wel gesuggereerd dat er een groot verschil moet zijn tussen datgene wat de kerk naar buiten uitdraagt en wat er binnen wordt verkondigd. O.a. in de 17e en 18e eeuw was dat het geval bij Zinzendorf. Daar was ‘binnenskamers’ sprake van een esoterische leer, enkel voor ingewijden, een leer die in de publieke preken en symbolen niet gehoord werd. Op die manier kregen de verborgenheden van het geloof een ongunstige lading.
Dat is anders bij Dietrich Bonhoeffer (1906-1945), die ook een pleit voert voor de gedachte achter de Disciplina Arcani (‘Arkandisziplin’). Op enkele plaatsen komt hij daarmee naar voren. Er is bij Bonhoeffer geen afgewogen en tot in de details uitgewerkte gedachtensysteem over ‘Arkandisziplin’ aanwezig. Wij moeten het doen met een aantal losse opmerkingen, die wel in hun verband en in de tijd waar ze gegeven zijn, overwogen moeten worden. Hij gaat uit van de noodzaak dat er een duidelijke scheidslijn moet zijn tussen kerk en wereld. Deze scheiding komt des te meer bij hem naar voren, als we letten op de tijdsomstandigheden. De tijd namelijk van het opkomend nationaalsocialisme. De verborgenheden van het geloof moeten bewaard worden tégen de aanvallen van de wereld in. Bonhoeffer maakt een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de verkondiging voor iedereen die het horen wil en anderzijds het belijden dat alleen binnen de gemeente thuis hoort. In verschillende publicaties komt hij op de ‘Arkandisziplin’ terug. O.a. in zijn boek Navolging, waarin hij sterk de nadruk legt op de scheiding tussen geloof en ongeloof. Kerk en wereld maken ook deel uit van deze scheiding. “De verborgenheid van het geloof is iets tussen God en de gemeente. Niet tussen de gemeente en de wereld.” NOOT 1
Tijdens het lezen van het artikel van Riemer in dit blad (De Reformatie, 14 maart 2009) over “Inclusief preken” kwamen de gedachten van Bonhoeffer bij mij boven. Is deze gedachte van de Arkandisziplin ook niet vruchtbaar te maken voor het thema inclusieve eredienst? Is er veel verschil tussen de tijd van Bonhoeffer en de onze, wat de zuigkracht en aanvalskracht van de wereld betreft? Ik heb verschillende contacten met ongelovigen, die door middel van evangelisatie, tot geloof zijn gekomen. Zij leggen er zelf de nadruk op om toch vooral geen aanpassing in verkondiging en eredienst te gaan doen omwille van zoekers. Wíj, zo zeggen zij, die door middel van evangelisatie tot geloof zijn gekomen, moeten ons aanpassend voegen in de eredienst. Zij zijn van mening, dat God en de gemeente ernstig te kort worden gedaan, als je in de verkondiging je gaat aanpassen aan buitenstaanders. Dit onverdachte advies pleit dus tegen prediking die zich bij voorkeur afstemt op welwillende buitenstaanders. Door middel van hen begeleidend onderwijs zullen zij de prediking steeds beter kunnen volgen.
Dat neemt niet weg dat het evangelie in normale verstaanbare taal bediend moet worden. Maar dat is niet zozeer een belang met het oog op buitenstaanders, maar met het oog op de gemeente zelf. Een dode tale Kanaäns kan de wekelijkse vernieuwing en bevestiging van het Verbond tussen God en zijn gemeente in de weg staan. De communicatie van het geloof kan echter niet heen om een groot aantal begrippen die de wereld niet kent of anders invult. In onze kerken, aldus mijn contacten, ontbreekt het doorgaans niet aan het gebruik van hedendaagse, toegankelijke taal. Maar hoe modern je de dingen ook weet te zeggen, de zaken achter de woorden zijn verborgenheden waarin mensen liefdevol ingewijd moeten worden. Dat ligt in de aard van het proces van bekering tot God, de alles veranderende wedergeboorte.

W.A. Sonneveld

Noot 1:
Zie G.C. den Hertog, B. Kamphuis, Dietrich Bonhoeffer, de Uitdaging van zijn Leven (2006, pag. 47). Voor meer literatuur over Bonhoeffer en zijn gedachten over ‘Arkandisziplin’, zie Eberhard Bethge, Dietrich Bonhoeffer, de biografie (2002), Gerard Dekker, Het zout der aarde (z.j.); T.G. van der Linden, Dietrich Bonhoeffer ( 2005). G.Th. Rothuizen, Aristocratisch christendom (1969). En natuurlijk de boeken van Dietrich Bonhoeffer zelf, Bruidsbrieven (2004), Navolging (2001), Verzet en overgave (2003).